C VAN CALAMITEITSKAARTEN

Voor de catalogus van HET INTERESSANTE VOLK
Slottentoonstelling volkskundemuseum Antwerpen 30 maart 2007

Op een kwade dag in de oorlogsjaren veertig liet een jonge moeder haar zoontje van drie achter bij de bewoners van een steegje in de Antwerpse Seefhoek. Bijna een halve eeuw later ging ik daar naar dat koekoeksjong op zoek en werd de volkse Seefhoek mijn uitvalsbasis voor de beschrijving van het dramatische leven van Franske Maes.
Van het ene verhaal kwam het andere, De Maagd van Antwerpen, over een andere pechvogel uit de Seefhoek, Maria S'Heeren. Zij troonde als “Sneeuwkoningin” boven op een praalwagen in de Lichtstoet van 1902. Het wankele gevaarte stond plotseling in vuur en vlam en het meisje stortte zwaarverbrand op straat, de Katelijnevest. Ze werd in “de wieg”, een huifkarretje voor gewonden, door de Gasthuisstraat naar het Elisabethhospitaal gebracht, waar ze de ochtend niet haalde.
De kranten schreeuwden het drama uit, marktzangers bezongen het noodlot van het meisje en op calamiteitskaarten stonden foto's van de praalwagen voor en na.

Calamiteitskaarten, rampprenten. Ik had er nooit van gehoord voordat ik besloot op mijn beurt het noodlot van Maria S'Heeren door te vertellen.

Toen ik Antwerpen verkende vanuit de Seefhoek en de route van de Lichtstoet 1902 volgde, kwam ik vanzelf terecht in het volkskundemuseum aan de Gildekamersstraat. Ik hoopte er het struifvogelspel te zien, vogelpik in het groot, de specialiteit van de vereniging Leopold, die de fatale praalwagen had opgetuigd. Het Volkskundemuseum exposeerde een intact spel en struifvogels in alle formaten.
Het museum bleek bovendien in grote archieflades een schat aan documenten over de fameuze Antwerpse stoeten verzameld te hebben. Ik kon er het programma van de Lichtstoet 1902 uit tevoorschijn halen,  de hele parade van praalwagens, met “Sneeuwvlokken. Fantasie op den Winter” helemaal achteraan.
En dan was er de bibliothecaris, die zijn museum kende zoals een mol zijn gangen. Hij reikte me een verzameling prentbriefkaarten aan die hij “calamiteitskaarten” noemde. Dat vond ik meteen een prachtig en indrukwekkend woord, oud en gewichtig en navenant uit te spreken. Ik hanteerde de calamiteitskaarten voorzichtig en bekeek ze met grote ogen. Er stonden destijds geen foto's in de kranten, maar er werden er wel gemaakt: feestelijke - de praalwagen en zijn personages vóór het drama -, verschrikkelijke - de wagen na de brand, het restant voor- en achterkant.         

Calamiteitskaarten, ramppost. Ik vernam dat mensen de fotokaarten naar familie en vrienden stuurden om het drama te illustreren waarover ze gehoord of gelezen hadden.

Om het verhaal van Maria S'Heeren te vertellen maakte ik uitvoerig gebruik van de calamititeitskaarten. Ze waren documentatie en gaven inspiratie, en ik zette ook de foto's zelf om in tekst: “Ook de wagen werd gefotografeerd nu het daarvoor nog licht genoeg was, zonder personages erop en met de mannen ervoor, in hun zondagse pakken en met een das of strik rond hun opstaande witte kragen. Ze hielden zich plechtig recht behalve Gerard die olijk zijn bolhoed hief en Monne die grijnsde onder zijn ‘tits’, de strooien zomerhoed die het warenhuis Tietz aan de Meir in die dagen bij honderden verkocht.”
Ook zulke details pikte ik op in het spoor van Franske Maes en Maria S'Heeren, op mijn zoektochten door Antwerpen. En ik nam de gewoonte aan als ik op de Meir kom ter hoogte van de Otto Veniusstraat, naar omhoog te kijken, of daar hoog op de Innovation nog altijd de tegenhanger van de Sneeuwkoningin staat, Electrica, de vergulde engel die bliksems ten hemel heft, een beeld dat net als mijn verhaal van 1902 stamt.
Het Volkskundemuseum is op mijn weg blijven liggen als de schatkamer van de dingen van het leven. Het doet voor de Antwerpenaars in het groot wat een mens voor zichzelf en de zijnen in het klein doet: souvenirs bewaren. Behalve op schappen en wandtafels ook in kasten, kistjes, albums, enveloppen en in dozen allerlei.

Calamiteitskaarten, rampherinneringen. Ik vind het belangrijk dat zulke dingen niet verloren gaan en, integendeel, gekoesterd worden in de schatkamer die ieder museum is.