M van Mei 68

Muziek&Woord, april 2008

In zijn Humo-drieluik "De Vlaamse Revolutie" heeft journalist Mark Schaevers een stevige basis gelegd voor de terugblik, veertig jaar later, op mei '68 in Leuven. Hij liet kopstukken van toen een chronologie van de feiten brengen en zette zelf de rode lijnen in de verf: het begon al in mei '66 met de Vlaamse strijd voor de overheveling van de Franstalige afdeling van de universiteit naar Wallonië, het vervolgde met de radicalisering van die strijd tot een antiautoritaire studentenrevolte en het escaleerde tot antikapitalistisch en marxistisch mollenwerk.
Tussen de kopstukken van toen, Paul Goossens, Ludo Martens, Kris Merckx en de anderen, speel ik in het Humo-verhaal een figurantenrolletje. Ik kom letterlijk even om de hoek kijken aan het Hogeschoolplein naar rijkswachters die hun geweer in de aanslag houden en ik ben een meeloper in een studententroep op de Oude Markt. Het rolletje zit me als gegoten, want ik doe precies wat ik als studente geschiedenis in die memorabele jaren '66-'68 deed: kijken naar wat er gebeurde en meelopen. Want het is ook een '68-feit dat de meisjes op de achtergrond stonden of zich in de coulissen bevonden.
Achtenzestigers in de soldateske betekenis van het woord zijn dan ook per definitie mannen, de kerels die op de voorgrond traden en de beweging dirigeerden. De "porren" om hen heen waren groupies. "Walter De Bock, dát was altijd een womanizer," verzucht Gui Polspoel in Humo, "wow, de mooiste vrouwen!" Toch zit op een foto van een revolutionaire vergadering de toenmalige "mooiste por van Leuven", Liliane Versluys, naast de ándere ideoloog van de beweging, Ludo Martens. Liliane met haar kraagje, geruite rokje en kniekousen oogt zo perfect dat ik haar wil uitroepen tot de icoon van onze fameuze generatie.

Kostschoolmeisjes en misdienaars
Het verhaal van '68 is immers net zo goed het verhaal van een generatie als dat van een tijd. En aan onze generatie, die halverwege de jaren zestig aan de katholieke universiteit kwam studeren, was een revolte welbesteed. We zagen eruit als misdienaars en kostschoolmeisjes en velen waren dat ook echt geweest, sommige jongens met een paar jaar kandidaat-priester of -pater erbovenop. We waren kort na de Tweede Wereldoorlog oorlog geboren, kinderen van de bevrijding en de heropbouw. Onze mentaliteit was navenant, idealistisch en ondernemend en met een groot groepsgevoel dat we in de jeugdbeweging hadden meegekregen.
Kortom, er trad in Leuven een troep ferme voortrekkers aan. En die kwamen er binnen de kortste keren tegenover uitgerekend het kerkelijk gezag te staan. De Belgische bisschoppen (de zogenaamde "inrichtende macht" van het katholiek onderwijs) hadden per mandement (zoiets als een oekaze) beslist dat er geen sprake kon zijn van een splitsing van de universiteit in een Vlaamse, Leuvense afdeling en een Franstalige afdeling ergens in Wallonië. Waarna vanaf 13 mei 1966, dag van het wraakroepende mandement, de eindstrijd om Leuven Vlaams acuut was begonnen.
"Maar de bisschop, dat is Mozes niet," denk ik daar altijd direct bij, en ik kan de zin ook zingen, op de wijs van een negrospiritual die komiek Jef Burm had omgebouwd tot een gelegenheidslied. Hij bracht het kort na het mandement op een kleinkunstavond in cinemazaal Forum aan de Bondgenotenlaan. Ik herinner me die avond als de dag van gisteren - hoe we bij het Mozeslied uit de bol gingen, joelden en juichten, alsof we collectief afkickten van de overdosis katholicisme waarmee we waren opgevoed.   
"De hele heisa lag in het verlengde van hun jaren in de katholieke jeugdbewegingen, roepen, zingen en stappen zat hun in het bloed." Zo rapporteerde ik twintig jaar later in mijn literaire debuut Het koekoeksjong, waarin ik een vreemde vogel portretteer die in het Leuvense broeinest terechtkwam. En ik vervolgde: "Zich afzetten tegen bisschoppen was nieuw, maar dat kon nu volop, met de zegen van de Vlaamse vleugel van de Christelijke Volkspartij die de studentenmassa gebruikte als zijn stoottroepen, het voetvolk dat het enthousiasme opbracht dat er bij de politici niet meer inzat, die rukten naar betere posities op, naar de coming out van het Vlaams establishment in het openbare leven."
De regering Vanden Boeynants struikelde over de Leuvense kwestie en die werd onder druk van zeg maar de verenigde Vlaamse krachten op termijn opgelost met tóch de gevraagde splitsing: de UCL vertrok naar Louvain-la-Neuve. De yells "Leuven Vlaams" en "Walen buiten" hoefden niet meer, maar de opstand tegen elk autoritair gezag en alle oekazes was pas goed begonnen.

We shall overcome
In Het koekoeksjong schreef ik het zo: "De linten en studentenpetten werden weer alleen bovengehaald voor de braspartijen en de clubavonden en het openen van de T-dansants met de mooiste por van het jaar. Maar een deel van het morrend voetvolk had de smaak van het protest voorgoed te pakken, demobiliseerde niet, er moest nog zoveel ballast overboord gegooid worden, het gewicht van een katholieke opvoeding, van de hiërarchieën die op hun basis drukken, van de mannen die denken dat ze zwaarwichtiger zijn dan de vrouwen, van het geld dat het leven laag bij de grond houdt, van om het even welk establishment dat zijn voetvolk betuttelt."
Anders gezegd: voor de harde kern van de studentenbeweging en een brede achterban ex-misdienaars en ex-kostschoolmeisjes was een studentikoze terugval geen optie meer. Het was al 1968 en wij waren opgegaan in de wereldwijde studentencontestatie, zongen We shall overcome en wilden aan een volksuniversiteit zijn. Noem het de grote oversteek: na de overgang van braaf naar stout en van katholiek naar ongodsdienstig staken we resoluut over van rechts naar links. Zingend en discussiërend, met bloemen in het haar en Lenins Que faire? in de hand. Jongens, meisjes, was me dat een tijd, we vochten het generatieconflict met onze ouders uit in aula's, kroegen en de facbar van pol&soc en nooit eens gewoon thuis.
En dan te bedenken dat ik in mei '68 nog spoorstudente, heen en weer Aarschot, was. Mijn vader gunde me geen kot in Leuven, "dat ik dát maar goed in mijn hoofd prentte in de plaats van al dat politieke gewauwel aan de universiteit", zei ik hem na in Het koekoeksjong. Waarna ik rapporteerde hoe ik in oktober '68 toch naar Leuven was verhuisd en me er in het studentenrestaurant had opgewerkt van frietschepster tot kassierster om zelf mijn kot te kunnen betalen - "de studenten wilden de maatschappij hervormen maar begonnen met zichzelf," gaf ik daar als uitleg bij.
Mijn eerste studentenkamer was er een ten huize van Universitas, het studentenweekblad dat door en voor een eerdere generatie weldenkende katholieken was opgericht. Ik zette er, toegegeven, in de schaduw van de mannelijke kanonnen daar, mijn eerste stappen in de journalistiek. En ik beleefde er álles voor de eerste keer: vrijen, de pil nemen, liefdesverdriet hebben, zelf verdiend geld binnenbrengen, etentjes geven, (bewust) een homo leren kennen, klassieke muziek draaien op mijn eerste eigen platenspeler, enzovoorts. De uitleg daarbij: "De revolutie liet dan wel op zich wachten, ze voltrok zich alvast binnenin, niet de maatschappij maar onze levens kwamen in een stroomversnelling terecht, we werden in ons lijf, ons hart en ons hoofd wie we zouden blijven."

Van achtenzestigers tot zestigers
Dat de revolutie op zich liet wachten is natuurlijk een understatement. Uitstel of afstel, peilde Mark Schaevers bij de Lenin die onze generatie voorschreef wat te doen. "Een antikapitalistische maatschappijverandering, zo liet Ludo Martens optekenen in Rerum, 20 maart 1968, kon 'realistisch gezien' nog meer dan twintig jaar strijd kosten. Gelooft hij er twintig jaar ná die twintig jaar nog in? Martens: 'Wat betekent nog eens twintig jaar meer in een historisch perspectief? Omdat het langer duurt kan je niet zeggen dat het model niet deugt.' Dat veel mensen van het eerste uur zijn beweging verlaten hebben lijkt hem niet te deren." Ik lees deze Humo-passage met dezelfde grote ogen van onbegrip waarmee ik destijds de evolutie van links naar extreem-links (en de vertakking in tendenzen daar) volgde, de oversteek die mij een brug te ver leek. Wat ik maar progressief-links zal noemen, was voor mij (en me dunkt voor velen) moeilijk genoeg, een kwestie van jezelf te blijven en niet terecht te komen in een stroomversnelling waarin je verdronk.
Ik breng daarentegen wel én begrip én bewondering op voor de andere volhouder, Kris Merckx, boegbeeld van de groepspraktijk Geneeskunde voor het Volk in Hoboken. Hij zegt in Humo: "Electoraal had het meer mogen zijn – kúnnen zijn, als we sommige fouten niet gemaakt hadden. Maar ik geloof dat ik nog altijd mijn best mogelijke bijdrage lever aan de zaak van de werkende mensen – bij ons en in de derde wereld, want ik hou in mijn balans ook rekening met de meerderheid die het moet stellen met minder dan 2 dollar per dag." Ik beeld me daarbij in dat Louis Tobback leest wat de oude vader van Merckx al veertig jaar lang tegen zijn zoon zegt: "Kris, had je niet meer bereikt als je bij ons, bij het ACV, gebleven was?" Tobback denkt en zei me namelijk ooit iets soortgelijks: hadden jullie, achtenzestigers, niet meer bereikt als jullie bij ons, bij de socialistische partij, terechtgekomen waren?
Die vraag is terecht en zelfs de ideale jubileumvraag bij veertig-jaar-later, nu onze fameuze generatie de pensioenleeftijd heeft bereikt. Want dat is nog iets dat ik me Humo-lezend geïnterviewde na geïnterviewde heb gerealiseerd: de achtenzestigers zijn allemaal zestigers geworden, onze ooit zo veelbelovende naoorlogse generatie is van de ene kant van het leven aan de andere beland, voorwaar ook een grote oversteek. Dat Schaevers de Tobbackvraag niet opwierp, had er misschien mee te maken dat hij ze niet kon laten beantwoorden door wijlen Michiel Vandenbussche, een kopstuk van toen die wel in de socialistische partij terechtkwam. Bij dit jubileum inderdaad al wijlen Vandenbussche en ook De Bock en bij een volgend jubileum wie weet wie nog meer - Schaevers zal zelf een zestiger zijn wanneer hij het uitsterven van onze generatie zal rapporteren.
 
Soixante-neuf
Maar goed, de Tobbackvraag is dus terecht. Behalve de bedenking dat het Leuvense socialistische boegbeeld destijds Alfons Vranckx, geen Louis Tobback, was, schuif ik in antwoord erop de herhaling naar voor dat achtenzestigers per definitie mannen zijn. Ons dus niet gezien, de ex-kostschoolmeisjes, ex-porren, ex-groupies in het verhaal. Wij hadden vanaf '68 immers nog een eigen strijd te voeren en een aparte, eigen weg te gaan: de tweede feministische golf kwam eraan. En het mag gezegd: de vrouwenbeweging werd een van de duurzaamste bewegingen uit de sixties.
"Soixante-neuf kwam ná soixante-huit," luidt de boutade die Schaevers mij in Humo laat debiteren, maar laat me hier daarbij preciseren dat de sexuele revolutie niet hetzelfde was als de baas-in-eigen-buik-roep. Integendeel, wij meisjes maakten graag de sexuele revolutie mee, maar vonden wel dat we die moesten bijsturen en een en ander zelf in handen moesten nemen. Zo gebeurde dat ook ten huize van Universitas, waar de meisjes het maken van een zogenaamd seksnummer (toen een verplicht standje van ieder zichzelf respecterend studentenblad) naar zich toe trokken. Het nummer werd een collector's item en het memoreert en illustreert beter wat er in en na '68 onder de studenten aan de hand was dan hun ontelbare marxistisch-leninistische en andere politieke pamfletten. Dat zie je zó, omdat Universitas die jaargang '69-'70 de beroemdste '68-foto als achtergrond van zijn voorpagina gebruikte, de foto van de Parisienne die met een wapperende vlag boven de studentenmassa oprijst.
Achteraf bekeken is de inhoud van dat seksnummer welteverstaan compleet achterhaald, bijvoorbeeld het overzicht van alle bestaande anti-conceptiemiddelen (waarvoor het maken van propaganda toen nog een wetsovertreding was). Het unieke zit 'm ergens anders: het seksnummer was de zwanenzang en letterlijk het laatste nummer van Universitas. De raad van bestuur & beheer bestond immers nog altijd uit de stichtende, weldenkende katholieken en ik herinner me ook als de dag van gisteren de historische reünie waarop die heren, met peetvader monseigneur Albert Dondeyne in het midden, ons, de geperverteerde volgende generatie, kwam meedelen dat het blad werd opgeheven. Dit maar om te zeggen dat er nog altijd oekazes werden uitgevaardigd en dat de strijd tegen elk autoritair gezag nog lang niet gestreden was.
Kortom, tegen dat onze generatie uit Leuven vertrok (of er bleef, maar dan niet meer om er te studeren), scheen er op het eerste zicht veel veranderd te zijn, maar was er in de grond ook veel bij het oude gebleven. Behalve dan dus - niet te vergeten, al leek het intussen weggedeemsterd – Leuven Vlaams, de Walen buiten en tot en met het bibliotheekbezit gesplitst.

Het après-68, niet het veertig-jaar-later maar wel het verhaal van de après-revoluties in de jaren zeventig, toen de ex-studenten aan het werk gingen, al dan niet trouwden, ouders werden enzovoorts, is dan ook een verhaal apart. En misschien voer voor een nieuwe reeks in Humo of op Klara, maar dan wel liefst een reeks waarin ook vrouwen uitvoerig aan het woord komen. Bijvoorbeeld Liliane Versluys, onze icoon. Want stel je voor: de Leuvense babe avant la lettre werd een boegbeeld van het feminisme, een felbegeerde advocate die gespecialiseerd is in vrouwendrama's en de moeder van twee adoptiekinderen. Alles moest nog beginnen, denk ik altijd over het après-68, zelfs De Zotte Morgen van Zjef Vanuytsel moest nog aanbreken.

Info:
De driedelige reeks "De Vlaamse Revolutie" van Mark Schaevers verscheen in de Humo-nummers van 5, 12 en 19 februari 2008.

Aanknopend bij haar sympathie voor 68'er Kris Merckx gaf Brigitte Raskin een quote mee aan diens boek Dokter van het volk: "Wat ik zo bewonder aan volhouder Kris Merckx is dat hij nog koppiger is in zijn sociale inzet dan in zijn politieke opvattingen." Zie www.krismerckx.be.