P van PARACHUTEMOORD

Van Els naar Elsje
Informatieblad Nederlandse Orde van Advocaten te Brussel, jg. 2010-2011, nr. 2

Het weekblad Time rekent de parachutemoord tot de Top 10 Crime Stories van 2010, maar mijn zoon heeft er niet eerder over gehoord dan nu ik hem erover vertel. We wandelen in New York naar het Metropolitan Museum, waar hij werkt, en ik beperk me tot de grote lijnen van het verhaal. Dat Els Clottemans door een assisenjury is veroordeeld voor de moord op Els Van Doren, een valschermspringster die te pletter stortte omdat haar uitrusting gesaboteerd was. Dat er jaloezie, ontrouw, verraad en trauma’s in het spel waren en eigenlijk álle dramatische ingrediënten behalve geld. Dat Els C. zo te kijk werd gezet dat je je hart vasthield bij zoveel psychologische beschadiging. Dat de publieke belangstelling het proces van in de rechtszaal tot op de straat bracht op een manier dat het niet mooi meer was.
Daar is nu eenmaal niets aan te doen, zegt mijn zoon. De fascinatie voor zo’n sterk verhaal van misdaad en straf is menselijk en van alle tijden. Maar het hangt er wel vanaf hoe het wordt verteld, werp ik op. De essentie is wat anders dan details als hoe de ene Els achter een struik zat te wachten tot de andere Els was vertrokken, het welles nietes van het meenemen van een make-uptasje en het kapsel van de advocaat van het gezin van de vermoorde Els. De media waren aasgieren en maakten van het sterke verhaal een smeuïg romannetje dat door de massa werd verslonden. Moord- en procesverslaggeving in een krant kan geen meesterwerk als In cold blood van Truman Capote zijn, maar mag wel wat anders zijn dan sensatielectuur.     

In het museum aangekomen, schakelen we over van Els C. naar Elsje C.: we buigen ons in de afdeling Drawings and Prints over de tekening die Rembrandt in 1664 maakte van Elsje Christiaens, een terechtgesteld meisje van achttien die aan een paal hing op het galgenveld van Amsterdam. Het kleinood op een bruinig, grof stukje papier ontroert me nog meer dan de uitvergroting ervan die ik in de krant zag staan bij de bespreking van een boek dat erdoor geïnspireerd is. Hoe erg, hoe zielig, hoe mooi, dit dode vrouwtje aan een paal.
Rembrandt heeft deze tekening (en een tweede, in zijaanzicht) ongetwijfeld ter plaatse op het galgenveld gemaakt. Daar hingen toen, volgens een werk van een andere tekenaar, vijf terechtgestelden te kijk. Maar Rembrandt had alleen oog voor Elsje, met touwen ingesnoerd om geen inkijk te geven onder haar rok, met de schouders en haar jakje opgetrokken om te verbergen dat ze door wurging is gedood, met de armen en voeten weerloos bungelend en het hoofd tussen twee dwarsbalken gestut. Aan zo’n balkje is de bijl bevestigd waarmee Elsje, een Deense immigrante, haar hospita te lijf is gegaan. De beul heeft, door het vonnis verplicht, na de wurging en met “deselve bijl daar sij de vrouw mede ter dood heeft gebracht” Elsje “eenige slagen” op het hoofd gegeven. Dat is nog op de Dam gebeurd, waar Elsje onder grote belangstelling openbaar is terechtgesteld. Daarna is ze per boot overgebracht naar het galgenveld en er aan de paal vastgemaakt “om van de locht ende ’t gevogelte verteert te worden”.
Die wrede aanpak is haar niet aan te zien, integendeel, ze lijkt kinderlijk en vredig te slapen, het hoofd wat schuin en het opgetrokken jakje als oorkussen. Of bewijst die indruk veeleer dat de tekenaar het beeld van het meisje naar zijn hand heeft gezet en zich daarbij tegelijk liet leiden door wat hij zag én wat hij voelde? 

“Hij en Elsje. Van bovenaf, vanuit het oog van de vogels die hen verderop, rondcirkelend in de lucht, al wel degelijk in de gaten houden, zullen ze wel klein lijken allebei, en hecht verbonden met elkaar.” Zo brengt de Nederlandse schrijfster Margriet de Moor de tekenaar en zijn model samen op het eind van haar roman De schilder en het meisje.
Het was bij een recensie van dát boek dat ik aangegrepen werd door Rembrandts tekening van Elsje, maar in het boek zelf is de tekening niet afgebeeld. “De schilder” blijft (anders dan Elsje) bovendien anoniem, al gaat het tot in de details van zijn leven en werk wel degelijk over Rembrandt. Op die manier onderstreept de schrijfster het hoofdthema van haar roman: het ontstaan van een kunstwerk, élk kunstwerk, en de groeiende band van een kunstenaar, élke kunstenaar, met zijn onderwerp.
Dat thema werkt ze concreet uit: de schilder, aan het werk, maar al maanden ontredderd door de dood aan de pest van zijn geliefde, houdt zich op 3 mei 1664 ver van de terechtstelling op de Dam die heel Amsterdam op de been brengt; maar als het spektakel achter de rug is en zijn zoon hem het verhaal van Elsje heeft verteld, laat hij zich toch overvaren naar het galgenveld; daar ziet hij, terwijl de vogels al rondcirkelen boven hun prooi, het dode meisje met eigen ogen en schenkt hij haar met “een krassend pennetje” zoiets als de eeuwigheid. 

Goed boek, vind ik. Mijn zoon gaat het ook lezen, maar heeft nu al zo zijn bedenkingen. Dat Rembrandt toch gewoon beníeuwd naar het galgenveld kan gegaan zijn, net als iedereen in de ban van het verhaal van de dag. Dat hij vergezeld was van zijn leerling Anthonie van Borssom, de man die het gezicht tekende van het galgenveld met de vijf terechtgestelden, onder wie Elsje. Dat Rembrandts tekening van Elsje misschien een studie was die hij zijn leerlingen voorlegde en liet kopiëren. Dat de romanschrijfster dus de feiten naar haar hand heeft gezet zoals Rembrandt het dode vrouwtje naar de zijne.
Het vrouwtje was overigens eeuwenlang anoniem, en het is merkwaardig dat ze dat niet is gebleven, terwijl zelfs op Da Vinci’s Mona Lisa niet met zekerheid een naam is geplakt. Maar zie, de Nederlandse historica I. H. van Eeghen vond het identificeren van de terechtgestelde vrouw (en haar vier dode buren) een eenvoudige klus. Ze nam in het rechterlijk archief van Amsterdam de 17de eeuwse “confessie- en justitieboeken” door, vond het hele verhaal (behalve het vonnis ook een gedetailleerd proces-verbaal) van Elsje Christiaens en kon dat overtuigend met de tekening van Rembrandt verbinden. Sindsdien, 1954, horen bij het kostbaar kleinood dat mijn zoon en ik met vertedering en bewondering staan te bekijken, zowel een lieve naam als het tragische verhaal dat in een justitieboek staat beschreven.

Tenslotte moet ik mijn zoon toegeven dat een waar verhaal van misdaad en straf vroeger meer spektakel bood dan vandaag, en dat het dan nog eindigde met een zoveel zwaardere straf. Die van Els Clottemans heb ik nog niet gepreciseerd: ze kreeg dertig jaar gevangenis en kan binnen tien jaar vrijkomen, als ze halfweg de dertig zal zijn. Ze is onderwijzeres, en het enige wat ik me woordelijk van het proces herinner is haar ultieme verweer: “Ik wou dat jullie konden zien hoe ik voor de klas stond.” Mooi toch, dat beeld dat zij van zichzelf wilde ophangen?