Intro  Boek  Fragmenten  Recensies  Uitgaven  Extra's

fragment 1

Ik keek naar het schilderij, naar de poppen op de kist naast het roze meisje, en zag in gedachten onze poppen verweesd in hun doos liggen en werd daar zo wee van dat het pijn deed in mijn buik, een gevoel dat me toen voor het eerst overviel en ik daarna dikwijls zou hebben als iets me aan thuis deed denken. Ik had dan niet zozeer verdriet om wat er was gebeurd, maar barstte van verlangen naar wat er niet meer was.
Els lag al meer dan twee maanden in coma in het ziekenhuis. Telkens wanneer ik bij haar op bezoek mocht gaan, schrok ik. Ze lag daar aan slangetjes en apparaten, steeds met gesloten ogen. Ze herkende niet eens haar eigen knuffel Kroes die ik altijd meebracht en die de verpleegsters tegen haar bleke wang drukten zonder dat ze dat scheen te voelen.
"Als Els helemaal beter is, mogen wij hier dan met zijn tweeën ons huiswerk komen maken?" vroeg ik tante Leen toen ze me kwam halen en ik weer braaf op mijn stoel in de kamer zat.
"Dat kunnen jullie dan toch thuis doen," zei ze, "jij en je grote zus."
Met "thuis" bedoelde ze ons huis, niet haar appartement, dat te klein was voor ons drieën. Het scenario lag klaar, het was ook een troostverhaal: als Els uit haar coma ontwaakte en weer helemaal beter was, zou ik niet meer bij tante Leen slapen, maar zou tante Leen bij ons komen wonen. Het was het mooiste waaraan ik kon denken als ik 's avonds in slaap probeerde te raken in het kamertje bij tante Leen, dat nu zogezegd het mijne was, met mijn knuffels op het bed en mijn foto's aan de muur, maar dat toch nog altijd rook als het logeerkamertje dat het voordien was geweest.

fragment 2
Elisabeth werd moeder op haar zeventiende en kreeg méér dan drie kinderen. Kroonprinsje Hans kwam eerst en mor Sigbrit mocht zijn petemoei zijn. In 1519 volgden Maximiliaan en Filips, een tweeling die maar enkele dagen leefde. Het eerste dochtertje, Dorothea, werd geboren in 1520, het tweede, Christina, al in 1521. Het jaar daarop, 1522, was het de beurt aan nummer zes, een jongetje, maar dat leefde zo kort dat het geen naam kreeg.
Elk jaar een kind, het was een ongeschreven wet in een koninginnenleven. De wankele gezondheid van Elisabeth maakte haar zwangerschap wel zwaar - alsof ze niet de dochter maar een tegenpool van haar moeder Johanna was. Na de dood van de tweeling was Christiaan blijkbaar zo bang dat het bij één kind zou blijven dat hij Elisabeth een raadgevende brief stuurde, eigenhandig geschreven en niet, zoals de gewone koninklijke post, uitbesteed aan een secretaris. Niet zo ongewoon was dat Christiaan de brief in Kopenhagen had geschreven, waar de koning en de koningin hetzelfde kasteel bewoonden maar toch in aparte appartementen leefden, zij nagenoeg permanent in verwachting, hij in beslag genomen door bestuurszaken. "Lieve vrouwe", begon Christiaan zijn brief, "een Franse dokter die ik ontmoette, raadt u af om rijnwijn te drinken, zoals u dat nu doet, zonder water erbij." Dat is niet goed voor zwangere vrouwen, vervolgde hij, en schadelijk voor de gezondheid van hun baby's. Pure rijnwijn was volgens de Franse dokter te "heet" en ontredderde de spijsvertering. "Als u wijn wilt drinken, neem dan rode," raadde Christiaan zijn vrouw aan, "want die is niet schadelijk." En als zij naar hem zou luisteren, zo besloot hij zijn brief, "kom ik binnenkort naar u toe of laat ik u ontbieden." Want zo ging het er in zo'n kasteel aan toe: de koning gaf de koningin rendez-vous en daar kwam dan het volgend prinsje of prinsesje van, in dit geval weer wel een gezonde baby, Dorothea.