Intro  Boek  Fragmenten  Recensies  Uitgaven  Extra's

fragment 1
Het zwijn dat in de ochtend nog krijste voor zijn leven, hangt tegen de middag tot reepjes versneden te besterven. Naast het drogende varkensvlees staat een stellage van stokken en planken waarop het gebruikte keukengerei wacht op de vaat.
"Het lijkt hier wel een kampement van padvinders," zegt Lex tegen Wim, die maar met een half oor luistert. Hij bevoelt voorzichtig de stellage waarvan de onderdelen niet werden gesjord maar elkaar in evenwicht schijnen te houden als de kaarten van een kaartenhuisje.
Van de huid en het karkas van de beer is geen spoor te bekennen, ook niet aan de voorzijde van de diensthut of in de keuken. Dat is een kamer met aarden vloer en houten wanden waartegen aan de ene kant schappen staan met ketels, kommen, ander elementair kookgerei en een gebloemde reuzethermoskan, aan de andere kant een plastic waterton en een houtfornuisje. De opperknecht zit er op de grond gehurkt. Hij snijdt en bereidt de lever van het varken. Hij hevelt de rauwe blokjes van een plank naar een kom over en saust hen met zowel azijn als lontarsap. De bewerking van de lever duurt, schat Lex, een half uur en al die tijd gaat de opperknecht niet verzitten, zodat Lex de indruk krijgt dat die lenige hurkzit wel een bijzonder gemakkelijke houding moet zijn. Op de duur gaat de opperknecht met een lepel door de rauwe ragoût en stelt vast dat die voldoende smeuïg is.
Om daarop met het gerecht voor een foto te poseren, blijft de man weliswaar nog steeds gehurkt zitten, maar herschikt hij zijn kaïn door die over zijn knieën te trekken als was hij een nuffige juffrouw op een bank.

fragment 2
Lex is naast oom Ludji op het bed gaan zitten. Wim blijft staan en rookt een sigaret. Beide neven proberen een gesprek te voeren met hun oom, anders dan oom Johan een volle broer van hun vaders, de middelste van de zonen Rihi, Ludji, Tanja van radja Wee en zijn eerste vrouw, de prinses van Seba. Het is moeilijk praten met hem, al blijkt hij goed te beseffen wie hem flankeren. Zijn geest is echter een drenkeling, gaat onder in het troebel water van de dementie en duikt daar nu en dan uit op, happend naar helderheid in plaats van naar lucht. Er zit niet veel anders op dan het hem gemakkelijk te maken, korte en eenvoudige berichten door te geven zoals "je zus Onni groet je", "we komen van Hurati" en "we ontmoetten Bibi Jami".
Om die laatste naam lacht oom Ludji, een oneerbiedige reactie van de patriarch op het noemen van de materiarch. Arthur Ludji kent Bibi Jami dan ook niet als een koningin op haar paleistrap, maar als zijn schoonmoeder. Tante Emma is een Jami, de hut bij Hurati is haar ouderlijk huis. Oom Ludji huwde een achternicht, hebben Lex en Wim daarstraks nog uitgezocht tussen de wortels van de oude waringin die hun familiestambbom is.
Zo stuntelig als oom Ludji praat, zo sierlijk beweegt hij zijn handen. Die zijn mooi en verzorgd, met lange slanke vingers. Soms heft hij traag zijn wijsvinger en schudt hem bezwerend, hetzelfde gezagvolle gebaar dat Lex zich maar al te goed van zijn vader herinnert.
"Ja, kolonel," zegt Wim in antwoord op de geheven vinger. Dat schijnt oom Ludji werkelijk te plezieren, misschien omdat hij bij die woorden niet in zijn troebele heden verzinkt maar naar zijn vage verleden wordt verwezen.