Intro  Boek  Fragmenten  Recensies  Uitgaven  Extra's

fragment 1
De Grote Muur in Badaling lijkt een attractie in een pretpark. Aan de uitkijktorens staan wachters ver­kleed als hellebaardiers. Ze zijn echt, maar lijken wel van karton, zoals alle rekwisieten hier en het he­le decor. De Grote Muur is van papier-maché. Ik keer hem de rug toe om zo ver weg te kijken als ik kan, volg het kronkelende lijf over de bergen. Aan de overkant daalt het af in de vallei van Zhangjiakou en kromt het zich tot de poort langswaar de scheutisten hun missiegebied betraden en ik naar Xiwan­zi wil gaan.
Ik wil plaatsen niet bezoeken, maar bereiken. Ik ben niet onderweg naar markten waar iedereen samen­troept maar naar plekken waar alleen ik wat te zoe­ken heb, niet naar bezienswaardigheden uit een reisgids, wel naar gevoelige plekken in mijn bin­nenste.

fragment 2
Voor mij staat peternonk niet langer op een voet­stuk sinds ik hem tot in China volgde en hem in Xi­wanzi zocht en vond. De God de Vader van mijn kinderjaren, het Idool van papa, de Man van Brons van mijn stad werd een mens van vlees en bloed. Ik ken hem van in zijn jeugd. Ik weet wat hij kan en wat hij waard is. Ik heb zijn streken door en raad hoe hij zich voelt. Ik spreek dezelfde taal en kibbel met hem over wat hij denkt en doet. De ene keer verwens ik hem, de andere keer vertoef ik graag in zijn gezel­schap. Ik hou tegen wil en dank van hem, als van een broer, want dat is hij voor mij geworden.
Voor tata werd Joseph geen idool, want geen zus kijkt zo op naar haar oudere broer, de plaaggeest van haar kinderjaren, en hij werd ook niet haar held, want ze vond zijn oorlogsgedrag te stoutmoedig en zijn heroïsche dood afgrijselijk. Hij bleef gewoon haar broer. Telkens wanneer zij in Aarschot voorbij zijn standbeeld kwam, zei ze zachtjes “dag Joseph­ke”.
Telkens wanneer ik voorbij het standbeeld kom, hoor ik weer de vriendelijke groet van tata en voeg er al naargelang mijn stemming iets aan toe: “dag maat”, “hé Jos”, “ni hao”. Het gebeurt dat ik zijn af­keuring van mijn handel en wandel vermoed en stout mijn tong naar hem uitsteek.

Maar op zijn hart trappen – bijvoorbeeld door te zeggen dat een priesterroeping in België zeldzaam werd – waarom zou ik? Toen de wereld van Joseph instortte, keek ik nieuwsgierig toe, op de Lege Kerk en Belgikske Nikske, maar ik lag er niet van wakker. Dat hij het niet hoefde mee te maken en dat een mens in zijn tijd hoort als een blad aan zijn tak, lijkt me echter een goede voorziening van Lot, milder uitgekiend dan de regeling van God, die naar het schijnt de gelukzaligen vanuit de hemel op de aarde doet neerzien.

fragment 3
In een politiebureau van Wuppertal zegt de agent van dienst ons dat de plaatselijke gevangenis spik­splinternieuw is en de vorige in de Brendahlerstras­se stond. Wanneer we hem vragen of er nog wat van over is, haalt hij de schouders op.
Het loopt die zondagavond tegen zevenen, wan­neer Gerd en ik door de Brendahlerstrasse wande­len. De deur van het enige winkeltje in de straat is tot onze verbazing nog niet gesloten. De jonge vrouw achter de toonbank heeft geen weet van voorbije tij­den en verwijst ons naar haar enige klant, een dame met bril, die doet denken aan een traditionele schooljuffrouw. Wanneer Gerd haar aanspreekt, bekijkt ze hem argwanend, dan klaart haar gezicht op en besluit ze met ons mee te wandelen.
“Jullie hadden nog lang in de verkeerde richting ver­der kunnen gaan,” zegt ze. “De gevangenis lag hele­maal vooraan in de straat, aan het stukje tussen de Wupper en de spoorweg waarvan men soms ver­geet dat het ook Brendahlerstrasse heet.”
We houden halt voor een betonnen muur met een zware poort waarin een doorkijkraampje zit als in de deur van een gevangeniscel. Rechts biedt het uit­zicht op een zwaar gehavende bakstenen muur, niet meer dan een stuk overeind gebleven façade. Er zit­ten tralies in waartussen kale takken als reikende armen naar buiten steken. Links staan opgeschoten struiken en achteraan rijst een tweede muur op met daarin een doorgang naar achter de coulissen. Ei­genlijk zie ik enkel de geheimzinnige contouren van het vreemde decor, zo donker tekent het zich af in het zwakke schijnsel van straatlantaarns en maanlicht.

Een hellend terrein op de oever van de Wupper. Bo­ven een rand van spoorwegrails. Onder een straat die parallel loopt met het water. Aan de ene kant het aftandse gebouw van een brouwerij, aan de andere kant het moderne kantoor van een verzekerings­maatschappij. Een concrete plek, de zoveelste in het leven van peternonk die ik aftast. Plaatsen als deze herleiden mijn verbeelding tot de werkelijkheid, tot het gedetailleerde “hier, toen, zo” waarmee ik zijn le­ven probeer te bezweren.