Intro  Boek  Fragmenten  Recensies  Uitgaven  Extra's

uit HET LEVEN MOET JE OP HETERDAAD BETRAPPEN
Zondagmorgen, "Zo gezegd", 30-04-1964
“Zet ik het op rekening van je chronische ijdelheid of ligt het aan een gemis aan verbeelding dat jij je kroniekje in hoe-heet-dat-blad in zo’n ik-zuchtige stijl optrekt als ik je mag plagiëren zou ik je Zo Gezegd een kronikje (hij drinkt een slokje) durven noemen.”
Dit alles zegt mijn vriend Wim in één adem en een slokje. Met een volledig verwaarlozen van komma’s en andere leestekens. Wim is mijn vriend en hij zal het wezen zolang zijn vrouw blauwblond blijft en bereid te lachen om de grapjes die ik in een baan om de bar breng. Wij zitten in een Gentse bar en ik hou het handje van mijn lief vast en kijk in de blauwe ogen van Hilde (mag ik even voorstellen, de vrouw van Wim) en buig vervolgens beteuterd het hoofd. De opmerking zit mij dwars.
“Ik heb al kroniekjes ingezonden waarin ik ongemoeid bleef, Willem,” weerleg ik weekjes.
“Nu je het zegt, herinner ik het mij. Die waarin je niet over jezelf schrijft, maar over je lief, je vader en je moeder, je kamer en je huis en niet te vergeten de zeven televisieomroepsters op wie je verliefd bent.” (Wat gek, nu denkt hij er weer aan. Aan de leestekens.) “Biecht op, Narcissus, waar ligt het kalf gebonden?”
Als een pioen glijd ik van de kruk en ontvlucht het borrelhuis om mij hier verlegen te verantwoorden.
Is het ijdelheid? Jawel, edelachtbare, sinds de ontvoogding van de vrouw zijn nu ook alle mannen ijdel. Wat dat betreft, gedraag ik mij normaal en volgens de regel.
Of is het een dode verbeelding? Dat is het vooral, hoger gerechtshof. U legt een vinger op de weeën. Mijn fantasie is een batterij die alleenlijk zwakstroom levert. Wat u aan de weet komt, haal ik uit het echte leven of put ik uit kranten. Uit mijn duim heb ik nog geen proza mogen zuigen. Ik kan over een kip schrijven, maar ik kan er geen ei bij leggen. Over andermans werk kan ik vernietigend commentaar uitbrengen, maar zelf sta ik creatief nergens. Ik zal niet zo ver gaan te beweren dat ik nooit iets van eigen vinding fabriceer, maar behalve adem schep ik toch weinig.

uit NI PLEUJE
Dilbeek, 18 oktober 1999
Karel,
Je verjaardag geeft mij de gelegenheid om te benadrukken dat 1999 het broerjaar bij uitstek was. Is. Toen de kanker toesloeg, heb ik een (in mijn ogen) aparte dimensie van jouw meeleven ondervonden, en mij daar mee aan opgetrokken om flink te zijn. En zo gaat dat door, van de Broederschool tot het eiland Dilbeek, blijf je waken over mijn wispelturigheid. En ingrijpen waar dat nodig is: overal.
In het verlengde van jouw sterke aanwezigheid in de bange periode, mocht ik opvallend veel kwalitatief enzoverder “bijvalsbetuigingen” ontvangen. Ça fait du bien par où ça passe. (Ik weet dat je tegen accenten bent, maar de Fransen kijken niet op een accent meer of minder, het lijkt hun linguïstieke hagelslag wel.) Of, om met Béart te zeggen: “J’ai crié au secours dans l’ombre, tout le monde m’a dit: me voici.” In mijn geval weliswaar: “tout le beau monde.”
Je gaat nu 1 à 2 kaarten krijgen met verwijzing naar de Beatles-song over 64 jaar. Ikzelf zit zonder voorraad mooie kaarten wegens afgesneden van mijn foerier Plaizier. Het zal een mooie dag zijn als ik daar weer over de drempel ga.
Karel, gefeliciteerd met je manier van leven en met je verjaardag. Uiteraard deelt Annie in de felicitaties. Moge jullie verhaal tot in de lengte der dagen doorgaan.

Johan