Intro  Boek  Fragmenten  Recensies  Uitgaven  Extra's

journalistieke biografie
van johan anthierens:
hier

ROBtv-reportage Van bij haar over ooggetuige: hier

Verantwoording en dank
bij Ooggetuige
DE MEESTERS EN DE JUFFEN
Het proza van Johan Anthierens is moeilijk te plaatsen. Het is de ene keer literair, de andere keer journalistiek, en meestal iets daartussen, het werd geschreven voor een welbepaald blad of een specifieke gelegenheid, het paste meestal in een vaste rubriek en dikwijls in de actualiteit van de tijd. Daar komt bij dat het bruist van de wispelturigheid die eigen was aan zijn stijl. Eigenlijk zit er maar één constante in: Johan schreef in de ik-persoon.
Dat zijn eigen leven de uitvalbasis was voor zijn werk, vergemakkelijkte de samenstelling van Leve mij, de bundel van autobiografische teksten uit 2003, waarin de hoofdstukken chronologisch gerangschikt zijn en ieder hoofdstuk voor een belangrijke periode in zijn leven staat. Het bemoeilijkte daarentegen de samenstelling van Ooggetuige, de bundel van journalistieke teksten. Welke ordening kan immers gegeven worden aan proza dat nooit inhoudelijk in te dijken viel en daardoor ook niet in te delen? Ik heb ten slotte gekozen voor hoofdstukken die dit keer staan voor de belangrijkste thema’s in Johans werk, het vaderland voorop, de media als afsluiter. Dat Johan zelf die begrenzing voortdurend overschrijdt, Willem Elsschot tussen de chansonniers laat optreden, Jacques Brel in Kobe de Koe en Le Canard enchaîné in alle omstandigheden, amuseert de lezer hopelijk evenzeer als het mij amuseerde.
Verder geldt voor Ooggetuige hetzelfde als voor Leve mij. Het boek is het resultaat van een zorgvuldige keuze uit het journalistieke oeuvre van Anthierens, dat duizenden bladzijden telt. De meeste teksten verschenen eerder in Vlaamse of Nederlandse bladen; de plaats en datum van die eerste publicatie staan vermeld. Sommige teksten werden al eerder in een verzamelbundel opgenomen of als bijdrage aan een boek geschreven; in die gevallen staan de titel en het verschijningsjaar van het boek vermeld. Radiostukken, lezingen, de tekst ‘’t Pallieterke doorgelicht’ en de liedjescorrespondentie met Claus verschijnen in Ooggetuige voor het eerst. Meestal zijn de teksten niet in extenso opgenomen; behalve wanneer schrijvers worden geciteerd en gedichten ingelast, zijn ze aan de huidige spelling aangepast. Verwijzingen naar toenmalige actualiteit en bijkomstigheden zijn geschrapt en er is geredigeerd waar dat nodig was. Omdat Ooggetuige geen wetenschappelijke tekstuitgave is, worden de ingrepen niet aangegeven en moet de verwijzing naar de vindplaats van de oorspronkelijke teksten volstaan.
Karel Anthierens heeft ook nu het werk van zijn broer taalkritisch onder handen genomen, de taak die Johan hem bij leven al had toevertrouwd. Johans dochter Eva reikte me de map ‘Van Nijlen’ aan en zijn vrouw Elisabeth Erauw diepte voor deze journalistieke verzameling precies de juiste teksten uit de jaren negentig op. Hartelijk bedankt, dierbaren van Johan, voor de samenwerking, en ook bedankt, vrienden van Johan, die elk op een andere manier hebben bijgedragen aan dit boek.

Johan Anthierens was een selfmade man. Maar toch liet hij zich zijn leven lang bij zijn huiswerk helpen door zijn broer Jef, spiekte hij bij Karel en keek hij op naar zijn meesters, nooit juffen. Uit bewondering voor zijn ware leermeesters en grote voorbeelden wilde hij voor elk van hen een monument oprichten, Willem Elsschot vereren met een standbeeld, Rinus van der Lubbe met een Stichting, Jacques Brel met een Place Sainte-Justine, Jan van Nijlen met een bord in het Antwerpse Centraal Station. Maar behalve voor het standbeeld van Elsschot, zocht Johan tevergeefs naar mede-initiatiefnemers en klopte hij tevergeefs aan bij de bevoegde instanties.
Dat overkwam mij niet, toen ik André van Halewyck voorstelde het beste van Johan Anthierens uit te geven, als eerbetoon aan diens pen en persoon. Het tweedelige Niemands meester, niemands knecht was een hele onderneming, waarbij veel archief- en ander opzoekingswerk en computerisering kwamen kijken – terwijl het voor een uitgeverij vandaag meer dan ooit lonender lijkt snelbereide, hapklare boeken op de markt te gooien. Toen ik de arbeidsintensieve Anthierens-onderneming niet in mijn eentje tot een goed einde kon brengen, gaf Van Halewyck mij bovendien de hulp van Jill Bertels, die een volleerde uitgeversassistente bleek te zijn en ook inhoudelijk veel tot Ooggetuige heeft bijgedragen. Met nog Lutgarde Emanuel van zetterij Griffo erbij, was het vlot werken aan dit dikke boek. Het mag gezegd dat de man die alleen naar meesters opkeek het voor zijn verzameld werk toch moest hebben van drie juffen die zich aandachtig over zijn opstellen hebben gebogen.

Was Johan Anthierens dan een van mijn leermeesters? Nee, maar hij is dat wel geworden. Door bezig te zijn met zijn werk, deelde ik in de rijkdom ervan – ik ging met hem mee horen, zien en schrijven, ik kreeg tientallen zinnen aangereikt om op te zuigen, beluisterde Renaud, verdiepte me in Het Verdriet van België, ontdekte op mijn beurt Jan van Nijlen en wil ook naar Algerije om er ter plaatse Albert Camus te herlezen. Als Belg, Vlaming, Nederlandstalige (ook in Brussel) en mensenrechtenactivist vind ik Johan voorbeeldig.
Dat ik de grote rijkdom van Johans werk nu aan vele lezers mag doorgeven, is een grote vreugde.

Brigitte Raskin,
Leuven, zomer 2005