Intro  Boek  Fragmenten  Recensies  Uitgaven  Extra's

uit DE WAARHEID LIGT IN HET MIDDEN-OOSTEN
de Volkskrant, "Denk om de buren", 29-09-1979
Ik geloof niet in uitverkoren volkeren, ik geloof in min en meer geslaagde etnische baksels. Ik verwerp de gelijkheid van man en vrouw (de man is een tak, de vrouw een tros), maar zweer bij de gelijkwaardigheid van geslachten. Ik zet mij af tegen het vooroordeel als zou de man minderwaardig zijn, niets is minder waardig. Als de vrouw de nigger of the world wordt genoemd, dan is haar lotgenoot, de man, de jew hier op aarde. Samen vormen zij het circuspaard dat mensheid heet, het uit lorren samengestelde paard met een rits in de buik waarlangs twee clowns bezit nemen van de huid en door het zaagsel draven, de clown aan (in) de kop hinnikt, de clown van achteren zaait vijgen. Zo stel ik mij de mensheid voor, man en vrouw in een ongemakkelijke positie, lotsverbonden, zaagsel slikkend, jolijt makend voor twee tot vermaak van een joelende menigte. Soms scheurt een deel zich los en gaat ervandoor, de staart tussen de benen, terwijl de rest op zijn kop staat en tranen met tuiten huilt, zoals clowns dat kunnen.
Ik kom to the point, mijn hart tikt als een tijdbom terwijl ik over gast- en houtvrij krantenpapier naar de kern van mijn zaak sluip. Na een marathondwaaltocht van eeuwen, waarbij zij barrevoets spitsroeden liepen, de ene exodus in de volgende schoof, woestijnen werden afgelegd, te hoge zeeën hen als wrakhout op stranden kwakte, bereikten de joden hun aangewezen stek op aarde. Voor die langste omweg aller tijden waren zij niet aansprakelijk. Als aangeboren wereldburgers zagen zij er geen graten in her en der drie tenten te bouwen en te voelen hoe de streling van de wind zalvend inwerkte op het eelt op hun ziel. Dat duurde tot de autochtonen een zondebok nodig hadden en de “indringers” uitdreven, of de joden judasten omdat zij, de eerstgeborenen, zich minderwaardig voelden. Hun intelligentiegraad heeft de joden al parten gespeeld, hij maakt ze ongeschikt voor een ondergeschikte rol. Als ik niet in uitverkoren volkeren geloof (uitverkoren door wie, in godsnaam?), dan weet ik wel dat sommige volkeren meer begaafd zijn, of meer beschaafd, of meer charmant. Welbespraakter, soepeler, geestiger. Joden zijn een beetje van dit alles, de schrandersten van de klas, door de achterste banken met propjes afgunst bekogeld.
De joden, aanbeden en bespuugd, gastvrij onthaald en vergast en ga zo maar door, hebben nu een land, Israël, en hebben dat sterk uitgebouwd. Tot spijt van de Arabieren, tot uitzinnige woede van de Arabieren, die de bultenaren van de historie zijn, die het Duitse gelag moeten betalen, die opdraaien voor het Europese gesjacher en gesol met jodenmensen. Wij, Europeanen, hebben de joodse inboedel aan gruzelementen geslagen en sturen Izaäk naar de Palestijnse kassa voor schadeloosstelling. Op het moment dat de staat Israël ontstond, werd een nieuw soort jood geboren, de Palestijnse jood. Hij begon in soepjurk op een kameel en met een operettegeweer aan een dooltocht door zijn diaspora. De Palestijn is geen fotogenieke jood, hij is minder begaafd (niet minder waardig) en minder aantrekkelijk, laat staan zo fascinerend, als die andere semiet, de Hebreeër. De Palestijnen produceren geen Benedictus Spinoza, geen Felix Mendelssohn, geen Sergej Eisenstein, om van die andere Stein, Albert de unieke, te zwijgen. Het genie van de jood is dat hij, godsdienstfanaat en maaglijder bij uitstek, komieken van wereldformaat uit zijn mouw schudt. Woody Allen, Charlie Chaplin en Danny Kaye, kom daar bij de Palestijnen maar eens om.
Hun Heinrich Heine moet nog geboren worden in een vluchtelingenkamp en de eerste Yehudi Menuhin die hun beschoren wordt, zal niet de sterren maar de Phantom-straaljagers uit de hemel moeten strijken.
Wat de minder begenadigde mohammedanen overbleef, was de niet-nobele kunst van het terrorisme. De Palestijn is een zwerfkat in het nauw, een kat met kale plekken in de vacht, een luizige woestijnkat, lelijk, vals, onbetrouwbaar, uitgestoten door de mondaine opinie. Voor zo’n schlemielig beest heb ik in mijn hart een kommetje melk klaarstaan, niemand zal mij ooit zo laf krijgen dat ik de gehandicapte jood van nu, de Palestijn, met de vinger wijs.
Joden zijn geen goden, Palestijnen geen zwijnen. Ik geloof niet in goeden en slechten, ik geloof niet in zwart en wit, ik bewandel bij voorkeur het niemandsland tussen die polen. Ik struikel graag over de waarheid die in het midden ligt.

uit DAG, NEDERLANDS VAN MIJ
de Volkskrant, "Denk om de buren", 14-10-1980
Als ik het woord goochelen loslaat, klapwiekt het wit weg, als ik het woord liedje laat vallen, kruipt Gilbert Bécaud gekneusd uit de schaal en raapt mopperend zijn refreinen bij elkaar. Het woord hazenlip wordt door nijlpaarden afgewezen en het woord verbrijzeld is deerlijk verminkt ter wereld gekomen. Het woord lift staat niet stil en als daar het woord face aan voorafgaat, herken je het niet meer. Zo kan ik wel doorgaan, wat ik doe. Wat zou Simon Tahamata uitrichten zonder bal, waar zou Simon Carmiggelt blijven zonder alfabet? Het alfabet is een kloekhen die zesentwintig eieren legt, daaruit breken kuikens van de meest vreemdsoortige pluimage, die wij woorden noemen. Ik geraak niet uitgekeken op het mechanisme van de taal, woorden zijn allemachtig, afstotend, aanhalig en amechtig als je je aan hen vergrijpt, woorden zijn ratten, hazewinden en dwaallichten, er zit geen maat op, je weet er geen kameraad mee. Ik wil woorden breken en zien wat er tevoorschijn komt, ik leg een schat aan woorden voor, door een speling van het lot bij elkaar gebracht, met logistieke steun van mezelf. Ik draag de kroniek op aan het woord volledig, mij jaren geleden door de dichter Paul Snoek voorgehouden als het meest volmaakte woord, want vol en het tegengestelde tegelijk, hij zal het ook van een vreemde hebben gehad.