Intro  Boek  Fragmenten  Recensies  Uitgaven  Extra's

Marc Reynebeau, De Standaard, 25-11-2005
[Anthierens’] proza was een genre sui generis, iets halfweg literatuur en journalistiek. Anthierens probeerde herhaaldelijk “gewone” artikels of interviews te schrijven, maar altijd weer stond hij zichzelf in de weg. Hij was een man van meningen en gevoelens en dat kon hij nooit verbergen. Dat maakte hem ongeschikt voor het onpersoonlijke verslag of de diepe analyse.
Anthierens was goed genoeg in wat hij wel deed. Zijn kronieken (zo werden zijn van opzet voortdurend wisselende stukken in het blad doorgaans genoemd) waren bij momenten zelfs briljant, altijd een lust om te lezen, zichtbaar met plezier geschreven en er was nooit aan te merken hoe moeizaam ze soms tot stand kwamen. Hij was een speler, hij speelde met taal en kon wat maar heel weinigen kunnen: desnoods over niets schrijven zonder zijn lezers te vervelen.
Ooggetuige, de integere selectie die Brigitte Raskin en broer Karel Anthierens maakten uit zijn journalistieke werk, geeft daar een mooie staalkaart van: zijn zwierige, inventieve stijl, de warmte van zijn betrokkenheid, de accuraatheid van zijn aanvoelen, net zo goed als zijn bij momenten wat dandyeske pose of de met wat flauwe woordspelingen gelardeerde schoonschrijverij.
[…] Maar schijn hoeft niet te bedriegen: Anthierens deed niet louter aan amusement. Zijn meningen waren vaak behartenswaardig, zijn intuïtie leverde hem inzichten op (bijvoorbeeld over de toenemende culturele tweedeling van de samenleving) die soms pas veel later prominente gespreksthema’s werden.

Serge Van Duijnhoven op Een avond over Johan Anthierens in Boekhandel Bolle, Brussel, 27-9-2006
Anthierens is een grootheid die in het Vlaamse letterenfirmament nog steeds een ereplaats inneemt. Ergens bij de sterren, die in het donker naar ons flonkeren. Die ons wenken en vermanen. En waar wij, met onze voeten in de stront en ons gelaat naar boven gekeerd, slechts naar kunnen pinken en van kunnen genieten. Johan Anthierens, zijn geest leeft voort. Onwrikbaar, intact, gloedvol, onblusbaar. Een grootheid van de gloed en van de gal, van de strengheid en compassie, van de passie en de pijn. Van de ernst en het spel, het lied en de boutade, de biecht en de tirade, de triomf en de schaamte, van de aai en de snauw, de kritiek en de lofzang, de trots en het berouw.
Met de publicatie van Leve mij en Ooggetuige – samengesteld door Brigitte Raskin – is zijn dwarse, snevende, spiedende, strevende, minnende geest nieuw leven ingeblazen. Zijn literaire nalatenschap heeft hiermee het monument gekregen waar hij bij zijn leven nimmer op mocht hopen. En wat blijkt? De brokken, rafels, zinsneden, stukken en cursieven vormen geen brokkelig patchwork, maar staan gebonden en verenigd als een huis. Met zijn zintuiglijk talent en zijn dwarse instinct is Anthierens geslaagd waar Rimbaud vroegtijdig heeft gefaald. Zijn ontregelende karakter is intact gebleven. Un homme debout, zo zong Léo Ferré, ne se couche que pour mourir.