Intro  Boek  Fragmenten  Recensies  Uitgaven  Extra's

Fragment 1
Als kind was ik al gek op legpuzzels, een passie die ik van mijn moeder erfde. Als haar dagelijkse bezigheden erop zaten, het familiale rozenhoedje gebeden was, de kinderen naar bed waren, mijn vader in zijn bureau verder werkte, begon ze aan een van haar Jig-Saw puzzles, prenten uit de achttiende eeuw. In The new uniform showde en jonge huzaar zijn nieuwe uniform aan een oudere heer en een jonge vrouw in een lange, roze jurk, tegen de achtergrond van een muurhoge kast met tientallen boeken die stukje per stukje juist geschikt moesten worden. Good companions waren vier kaartspelers in een kamer met een ingelegd plafond, een vensterwand in kleine vakjes verdeeld en een grillig groen wandtapijt, raam en tapijt namen meer dan de helft van de vierhonderd stuks in beslag. In Caught napping, bij een dutje betrapt, sliep een oude heer in zijn stoel aan een open raam, lachend bekeken door een paar in ruiterkledij, de vrouw deed ssstt met de vinger op de mond, een levendig tafereel en de gemakkelijkste puzzel, al was ook dit raam in kleine vakjes verdeeld. Als mijn moeder eenmaal begon, hield ze niet op voor de prent compleet was, mijn vader was dan ook al naar bed, werd soms wakker in het holst van de nacht en trof zijn vrouw nog altijd aan de tafel in de eetkamer aan, haar bril afgezakt op de neus, onverstoorbaar passend, draaiend, zoekend. Ze werkte volgens een altijd eendere methode: eerst alle stukjes uitspreiden met de bedrukte kant naar boven, een vervelend begin, dan de boordstukjes eruit halen en het kader maken, het sluiten van het kader met het laatste boordstukje gaf een bijzonder gevoel van voldoening, vervolgens de bij elkaar horende stukken zoeken en inpassen, de groene van het wandtapijt, alle boekenruggen, de roze van de jurk. Mijn moeder stierf toen ik elf was, nadien maakte ik de Jig-Saw puzzels van de achttiende-eeuwse prenten, volgens die altijd eendere methode. Nu maak ik ze niet meer, wat moet ik in de achttiende eeuw? Als mijn kinderen naar bed zijn, werk ik verder in mijn bureau, passend, zoekend, draaiend met de levensstukjes van Frans Maes. Ik sprokkel zijn familieleden bijeen en verwerk ze tot een stamboom van vier generaties met als oudste personage Moe Net en als jongste Frans zelf. Ik noteer al zijn adressen in Mechelen en probeer ze in mekaar te doen passen, maand na maand, zijn gevangenistijd inbegrepen. Ik leg de facturen van zijn schulden naast mekaar en maak hun som, met een aparte berekening voor de postume schulden. De moeilijkheid met het leven van Frans Maes is dat het niet in te kaderen valt, dat het niet sluitend wordt afgeboord door opeenvolgende thuishavens waar hij een tijdje voor anker ging. Hij zwalpte rond, was nooit meer dan op doortocht.

Fragment 2
Ik wist daar ook allemaal niets van toen ik op woensdag 15 juli met een handvol redacteurs van Universitas meereed naar de begrafenis van Çois. Ik was moe en gelukkig, Rob was dinsdagavond gekomen, we hadden het over Çois gehad maar veel meer over onszelf, we hadden dus geen John Lee Hooker meer gedraaid, maar wel het klarinetconcert van Mozart, geleend uit de discotheek. Die plaat heb ik nadien gekocht, draai ik nog altijd met een brok in de keel, deze van Johnny Rivers heb ik niet opnieuw gekocht, omdat het voelde alsof ik ze nog altijd hád, zoals niemand naar het schijnt een geamputeerd been blijft voelen.
Çois werd begraven op kosten van de gemeente Olsene, die 4700 frank betaalde, voor de gaine, dat is de “lijkhuls” of plastic zak, de hardhoutenkist met garnituren en kisting en de begrafenis per auto-lijkwagen om 11u, een factuur die wordt bewaard samen met een Leuvens “getuigschrift van behoeftigheid en van woonst” op naam van Frans Maes. Een elfurenmis, normaal voor rijke mensen bestemd, het wordt Frans Maes gegund. Henri B. droeg die mis op en sprak over Çois. Zijn tekst werd later in een brochure gepubliceerd samen met gedichten en brieven van Marc, Agnes en Johan. Hij laat Frans Maes God is goed zeggen, pakt uit met een genadige kijk op zijn leven en beschouwingen als François leefde telkens in een wereld van mensen met louter voornamen, als een flits is hij ons aller leven binnengetreden, even plotseling is hij weer verdwenen. Wij zijn de laatsten tussen wie hij leefde, ons komt het zware moment toe hem op zijn laatste tocht te vergezellen. Het kleine kerkhof lag aan de rand van het dorp, Henri B. zei nog iets ritueels, wij sprenkelden om beurten een kruis op de kist toen die al in de grond stond.
En dat was dat, dacht ik, de begrafenis van een zwerfkat die dood langs de weg lag en door de gemeente moest worden opgeruimd. Ik prentte de beelden in mijn geheugen om ze aan Ingrid te beschrijven als zij terugkwam van haar reis met Luk naar Portugal. Er sloop iets anders mee m’n hoofd in, misschien alleen maar nieuwsgierigheid, of schaamte om zoveel onverschilligheid, of onrust over het lot van een mens, ik weet het niet precies, ik dacht in die tijd aan andere dingen, maar het was als een vreemde cel die begon te woekeren. Hij klampte aan, dat was altijd zo zijn stijl geweest, dat koekoeksjong. Als ik later die zonnige zomer van 1970 reconstrueerde, kwam hij door mijn versie van de feiten spoken, in allerlei gedaanten, ook dát was zijn stijl. De ene keer trad hij op als een onheilsbode in het begin van de tragedie, de andere keer was hij de figurant die maar een paar zinnen mocht zeggen en toch een onvergetelijke indruk maakte, meestal was hij het duiveltje uit het doosje dat een neus kwam zetten, als ik het leven de moeite waard vond. Ten slotte besloot ik hem op te graven om te weten te komen wie hij écht was en zo het spook uit mijn hoofd te verbannen. Ik startte mijn inhaalmanoeuvre.