Intro  Boek  Fragmenten  Recensies  Uitgaven  Extra's

Johan Anthierens, De Morgen, 18-5-1988
Frans Maes […] straalt geen charisma uit, bezit geen glamour, negatief of positief, al hééft hij iets, maar je moet Raskin heten om met die paar keutels een biografie te bakken.

August Hans den Boef, Leidsch Dagblad, ?-1988
Het koekoeksjong lijkt slechts oppervlakkig op het werk van documentaire auteurs. Door de combinatie van nauwgezette reconstructie en verbeelding en niet te vergeten de emoties van degene die dit alles opschrijft, plaatst Brigitte Raskin zich in een andere richting: die van leeftijdsgenoten Leo Pleysier en Pol Hoste. Schrijvers die, elk op hun manier, met een vergelijkbaar literair onderzoek bezig zijn naar de geschiedenis van kleine en vergeten mensen. “Een mensenleven is helaas zo weinig, een mensenlot echter betekent zoveel”, deze regels van Grillparzer die voortdurend door het hoofd van Raskin spoken, kunnen evengoed als motto voor hen gelden. Het is wel de interessantste richting in het recente Vlaamse proza.


Jan Flamend, Dietsche, Warande & Belfort, 9-1988
Tegelijk met het relaas van Maes wordt [in Het koekoeksjong] een stuk Vlaamse mentaliteitsgeschiedenis, om het met de "nouveaux historiens" te zeggen, meegegeven. Sociaal Vlaanderen van de Openbare Onderstand, en studerend Vlaanderen van de seksuele revolutie en het linkse intellectualisme. Een boeiende confrontatie trouwens. Het is niet het leven van Maes dat zo verschrikkelijk interessant is, het is niet eens spannend. Bij de aanvang weet je hoe het hem zal vergaan, hoe hij aan zijn einde zal komen. De zoektocht van Raskin daarentegen is spannend, de confrontatie van haar leven met dat van Maes, de reflectie op haar obsessie met Maes. De oorspronkelijke titel van het boek luidde De verstekeling. De verstekeling is niet Frans Maes, maar Rob, die waarschijnlijk de echte aanleiding voor het verhaal van Raskin vormt. De eerste echte grote liefde. Rob, die ook met de wagen verongelukte, in hetzelfde jaar als Maes doodging. Rob, die borg staat voor de mooiste bladzijden in dit boek.

Joris Gerits, Streven, 10-1988
Met de hardnekkigheid van een journaliste die belangrijke informatie meent te kunnen verzamelen, maar ook met de onrust van een schrijfster die een gat in de eigen herinnering wil dichten, heeft Raskin de zoektocht naar Frans Maes ondernomen. Misschien had ze ook de behoefte de nestwarmte die ze zelf had ondervonden en de opleiding tot intellectueel die ze had gekregen, te confronteren met een figuur die geen beide heeft gekend. In het spoor van zovele 68’ers probeert Raskin de onderste steen boven te leggen en stoot daarbij op de realiteit dat het raderwerk van maatschappelijke instituties totaal los draait van de menselijke subjectieve noden en emoties. […] Het lijkt erop dat Brigitte Raskin door het schrijven van Het koekoeksjong een steen van het eigen hart heeft gewenteld. “[…] hij heeft zich in mijn hoofd genesteld en ik koester hem hoofdstuk na hoofdstuk, ik heb er negen gepland. Soms walg ik van hem, dat betweterige ventje dat de trappen opkwam in plaats van die andere die ik verwachtte.” Na negen hoofdstukken is Frans Maes uit haar hoofd verdwenen, zoals een kind negen maanden uit de buik van de moeder gedreven wordt, en leidt nu een zelfstandig leven op papier in een roman over het leven, eigenlijk het schaduwleven van Frans Maes (1983-1970).

Yvonne Kroonenberg, NRC Handelsblad, 19-11-1988
Terwijl de schrijfster [Brigitte Raskin] met de schamele puzzelstukjes een portret samenstelt van een verschoppeling, reikt ze de lezer even nietige flarden van haar eigen leven aan: haar puzzelende moeder, die doodging toen Brigitte elf was, haar vader die dement is en net als de stiefvader van Frans Maes in zijn geestelijke verbijstering steeds opnieuw om bezoek van zijn kinderen vraagt. En dan, als het boek bijna uit is, blijkt de schrijfster een minnaar te hebben gehad. Rob, een getrouwde man die ook verongelukte, drie weken nadat Frans Maes zich aan gort reed. Is dat dan de reden waarom dit boek geschreven is? “Ik heb geen zeventien jaar gewacht om te zoeken waar Rob verongelukte,” schrijft Raskin koeltjes.
Is het dan omdat zij Frans Maes gekend heeft? Hij woonde immers korte tijd in het studentenhuis waar zij ook een kamer had. […]
Naarmate je verder leest, vraag je steeds minder naar de reden van dit portret. Het boek [Het koekoeksjong] gaat over zoveel meer. Negen hoofdstukken, een roman, het debuut van een schrijfster, die met haar sobere, trefzekere stijl de koorts die haar gevangen houdt, op de lezer weet over te dragen.

Hans Warren, PZC, 24-12-1988
Een van de grootste literaire verrassingen van 1988 is zonder twijfel het boek Het koekoeksjong van de in 1947 geboren Belgische journaliste Brigitte Raskin. […] Het koekoeksjong is niet gemakkelijk te rubriceren. Het is deels een documentaire, deels autobiografie, deels fictie. Het toont een gedrevenheid die vanaf de eerste pagina de lezer in de ban slaat. Je voelt direct: dit boek móést gemaakt worden, het is niet zomaar een zoveelste debuut van een niet meer zo jonge mevrouw met literair talent. Het boek is daarbij buitengewoon origineel van opzet, al roept het onvermijdelijk door – toevallige – overeenkomsten herinneringen op aan eveneens onlangs verschenen werken als de documentaire roman Rosalie Niemand van de ook al Vlaamse schrijfster Elisabeth Marain en de romantische reconstructie van een ernstig auto-ongeluk Pros Ofrynio van de Griek Filippos Drakondaïdis dat eind 1987 in Nederlandse vertaling (Op weg naar Ofrynio) verscheen. […]
Door dit intens trieste gereconstrueerde levensverhaal van het "koekoeksjong" […] heeft Brigitte Raskin gedeelten van haar eigen geschiedenis heengevlochten. Een sympathiek, onopgesmukt verslag van een jonge vrouw uit een bevoorrecht milieu. Ze buigt zich met compassie en nieuwsgierigheid maar nooit sentimenteel over wat ze het “hondenleven” van Frans Maes noemt en het is die betrokkenheid bij het leven van die kansloze, die het het boek soms zo sterk ontroerend maakt.
Brigitte Raskin weet op een raadselachtige manier te bewerkstelligen dat de lezer zich met háár vereenzelvigen kan en daardoor wordt ook Frans Maes op den duur iemand die tot óns geweten gaat spreken. “Schaamte om zoveel onverschilligheid, of onrust over het lot van de mens” – ze gaan ook de lezer bevangen. We worden als het ware zowel medeverantwoordelijke als medeplichtige. De stijl van het boek is helaas niet vlekkeloos, maar toch is Het koekoeksjong van alle in 1988 verschenen nieuwe Nederlandstalige werken misschien wel het boek dat me het diepste getroffen heeft.


Nico Scheepmaker, Brabants Nieuwsblad, 23-5-1989
Ik benijd Brigitte Raskin. Zij heeft een idee verwezenlijkt waarmee ik al jaren in gedachten gespeeld heb, elke keer dat ik weer eens een biografie van een beroemd man had gelezen: zo’n biografie te schrijven van een volstrekt onberoemd man. Zoals haar “Frans Maes”. Zij kende hem nauwelijks, had hem zelfs nooit een hand gegeven, maar heeft hem, zeventien jaar nadat hij op 32-jarige leeftijd verongelukte, volledig uiteengerafeld en te boek gesteld. Hij was een “have-not”, een bajesklant met nauwelijks familie, maar wat hij, ondanks alles, wel bleek te hebben (en dat vond ik het verrassendste van Het koekoeksjong), was een “geschiedenis”, in documenten en krantenknipsels, en in het geheugen van mensen die hem gekend hebben. Zelfs de onbelangrijkste mens blijkt een biografie na te laten, als je er maar naar zoekt. Ik benijd Brigitte Raskin omdat zij dat als eerste heeft aangetoond op een manier die althans mijn bewondering heeft afgedwongen.