Intro  Boek  Fragmenten  Recensies  Uitgaven  Extra's

Fragment uit het titelverhaal "Afscheid van steen", over het ouderlijk huis
"Dit huis is speciaal," bezwoer ik mijn kinderen. Ik wees op de bruine schoonheidsvlek op de witte badkamermuur. Op het tralievenster in de deur van de wijnkelder, die tijdens de oorlog een gevangenis is geweest. Op de dubbele plafonds waartussen vader de spoken had opgesloten van de Engelse familie die het huis had laten bouwen. "En van Oma Dood", zei mijn dochtertje, om mij op mijn beurt te doen schrikken.

Achter iedere deur word ik verrast door een beeld dat me is bijgebleven, de schedel op de schouw van Jos die voor dokter studeerde, de transistor van Wim die als hij thuiskwam, uitging, het nylon beddengoed van Polly die aan eczeem en astma leed. Toen we niet langer met zijn tweeën moesten slapen, weken de jongsten naar de mansardeverdieping uit, vierkante kamers met dakkapellen die uitzicht bieden op de goot en de hemel. Mijn rijk was het kleinste. Hoe bestaat het dat ik ooit dit behangpapier met scheepjespapier uitkoos? Honderden gaatjes van punaises zitten erin. Mijn zussen telden de prenten - zoveel keer Freddy Quinn - en maakten uit wie ik was: een dweper, langslaper, boekenwurm, zoetekauw. Maar hoe ik een tampon moest inbrengen, zocht ik op mijn eentje uit in dit kamertje, met een spiegel en een halve doos mislukkingen.

Fragment uit het verhaal "Mama", over een ontgraving op Cuba
De zoon van Josefa Torres Cintra hees haar beenderenkistje op zijn schouder en begaf zich naar een rand van het armenkerkhof, die niet bruusk maar hellend opsteeg naar de grote begraafplaats met marmeren zerken. De kerkhofbewaarder, mijn broer en ik vormden een stoet die achter hem aanliep. Boven laveerde de zoon omzichtig tussen de beelden en grafstenen, waarvan er velen ons nu nog grotesker toeschenen dan daarstraks. 
Een schijnbaar eindeloze kerkhofmuur was met een tweede muur verdubbeld. Zo was tussen beide een blinde gang zonder plafond gevormd. Daar liep de zoon binnen tot op de plaats waar stapels van betonnen kistjes hem tegenhielden. Hij zette het kistje met de resten van zijn moeder op de voorste stapel en schikte het tot het mooi recht, in het gelid stond. Zonder verdere plichtplegingen draaide hij zich daarop naar ons toe, weer met glinsterende ogen en een gelukkige lach, zo te zien blij en opgelucht dat het karwei erop zat.
Achter de lachende man en de eerste stapels met kistjes, daar waar de gang al van muur tot muur gevuld was, gaven betonnen platen wel een plafond aan dit dodenrijk. Nog verder was de gang helemaal dichtgegoten met beton, die tussen de tientallen kistjes gesijpeld moest zijn en de bovenste met een tweede, onwrikbaar deksel had gesloten. Zo was een groot gedeelte van de kerkhofmuur één massieve grafsteen geworden voor honderden doden. Die lagen daaronder niet te vergaan, maar bleven, blijven er voor altijd bescheiden bestaan.