Intro  Boek  Fragmenten  Recensies  Uitgaven  Extra's

 

Birgitte Jonkers, Eindhovens Dagblad, 29-06-1996

“In hoofdpersonen die afwisselend ‘Zij’, ‘ik’, ‘Bich’, ‘Ik’ (als eigennaam) heten, benadert Raskin het verleden omzichtig. In haar heldere kroniekstijl wil ze zelf gesluierd blijven tot het moment dat ze voor zichzelf de boel helder heeft. Wat van het verleden kan in de prullenbak en wat blijft in de ziel bewaard. […]

Mooie verhalen schrijft Raskin, waarin ook weemoed doorklinkt.”

Jos Borré, "Het verre kerkhof", De Morgen, 28-06-1996: zie pdf hier.
"Om de zaken niet voorgoed aan het verleden prijs te geven moesten ze neergeschreven worden, dit stond de auteur nog te doen. Tegelijk maakt het haar mogelijk er afscheid van te nemen, er afstand van te doen. Om deze reden is het afscheidsproces ook zo lang uitgesteld: 'Ik hoef hier niet langer in de rouw naartoe te komen,' schrijft Raskin aan het einde van een beschrijving van een bezoek aan het ouderlijk huis."

Hans Warren, PZC, 31-05-1996

“De bundel besluit met twee verhalen waarin ze afscheid van haar geboorteplaats moet nemen. Het titelverhaal is een hommage aan het ouderlijk huis, geschreven op het moment dat het pand verkocht werd. In ‘De stad van chocolade’ kijkt ze uit over het gebied van haar kinderjaren. Waar zou ze zijn, ‘het kleine meisje Ik’? Onder een boom begroef de schrijfster ‘de schatten van haar kinderjaren en op den duur haar kleine zelf’. Brigitte Raskin verpakte haar vertedering in kordaat proza.”


Yves van Durme, Kunstberg op Radio 3, 25-09-1996

“Niet zomaar zien we op het omslag van het boek een foto van een beeld van een grafsteen waarop een geknield kind zit te bidden. Niet alleen de dood van haar vriendinnetje komt hier herhaaldelijk ter sprake, ook het overlijden van haar moeder toen zijzelf nog maar twaalf jaar was, en daarna het overlijden van haar vader worden aangehaald. Over het omgaan met overledenen staat in deze bundel ook een verhaal dat zich afspeelt op Cuba. Daarin vertelt Raskin hoe zij en haar broer Santa Ifigenia bezochten, dat is de grote, monumentale begraafplaats van Santiago de Cuba. Daar zagen zij een man die de beenderen van zijn overleden moeder aan het opgraven was om ze daarna in een kistje te leggen dat werd bijgeplaatst bij andere kistjes, zodat je echt een kerkhofmuur kreeg vol beenderresten van geliefde afgestorvenen - ook een blijvende herinnering voor de nakomelingen.

En dat heeft Raskin op haar beurt ook willen doen met het ‘domein van haar kindertijd’, maar het kistje werd hier een boek en de kerkhofmuur een bibliotheek waarin haar herinneringen werden bijgezet.”

 

Gerrit Jan Zwier, Leeuwarder Courant, 16-06-1996

“Met vertedering en nostalgie buigt Raskin zich over de kleine Bich, ook wel “het kleine meisje Ik” genoemd. De kleine Bich leefde niet in opstand tegen haar omgeving, en dat zal wel de reden zijn dat de herinneringen aan de brave en oppassende kant zijn. De opstand tegen Aarschot, het provincialisme en het geloof, moet op latere leeftijd begonnen zijn. In dat verhaal moet heel wat buskruit aanwezig zijn. Met Afscheid van steen heeft Raskin alvast een aardige basis voor haar memoires gelegd.”